Deze keer toch weer even over de voornemens van het Kabinet, door de oogharen bezien goede en minder goede.
In de vorige editie van deze nieuwsbrief berichtten wij al over hoe minister Heinen zich spoedde te melden het wetsvoorstel Box 3 weer te wijzigen/herzien. Ook het wetsvoorstel Vbar lijkt eenzelfde lot te zijn beschoren na de nodige onrust in de markt. En niet ten onrechte daar het lastig blijkt de praktijk, waarin zelfstandigen in alle redelijkheid ook zelfstandig aan de slag (denken te) zijn, in wetsregeltjes te vatten.
Een deel van het wetsvoorstel ‘Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar)’ wordt daarom geschrapt en vervangen door een nieuwe Zelfstandigenwet waaraan op dit moment driftig wordt gewerkt. Deze wet beoogt daadwerkelijk te verduidelijken wanneer iemand als zelfstandige werkt en wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Vanaf 1 januari 2025 wordt namelijk weer volledig gehandhaafd op schijnzelfstandigheid. Volgens minister Van Aartsen is het daarom belangrijk dat zelfstandigen en opdrachtgevers (weer) weten waar zij aan toe zijn. Het risico daarbij is dat wanneer een opdrachtgever denkt een zzp’er als zelfstandige te hebben ingehuurd maar er feitelijk sprake is van een werkgever-werknemer relatie, de bekende gezagsverhouding, er alsnog loonheffing moet worden afgedragen. Ook kan dit gevolgen hebben voor het arbeidsrecht en het pensioenrecht.
De Zelftsandigenwet zal zoals gezegd de onduidelijkheid weg moeten nemen zodat in het grijze gebied wit en zwart weer helder kunnen worden onderscheiden. Het wetsvoorstel Vbar zal wel blijven strekken tot het beschermen van de laagbetaalde zzp’ers (zelfstandigen met een vergoeding tot € 38,- per uur – peildatum 1 januari 2026). Voor deze groep geldt een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst, tenzij de opdrachtgever het tegendeel kan aantonen. Zo niet, wordt de arbeidsrelatie gezien als schijnzelfstandigheid en heeft de zelfstandige recht op rechtsbescherming overeenkomstig de bescherming die geldt voor werknemers in loondienst.
De beoogde verduidelijking vraagt een zorgvuldige uitwerking, samen met relevante partijen, aldus het Kabinet. Dat komt het wel goed dan, denk ik (famous last words?)
Een ander bedenkelijk nieuwtje las ik in Het Financieele Dagblad van 31 maart 2026: “Papieren schenking komt op de radar van Financiën en de fiscus”.
De schenking op papier heeft als bijkomstig effect dat daarmee de erfbelasting wordt verlaagd. Om deze reden is de schenking op papier toegevoegd aan de lijst ‘opmerkelijke’ constructies.
Hoewel het artikel zelf enige nuance kan gebruiken (alsof de schenking op papier louter als fiscaal advies product is bedacht), is het wel opvallend dat de wetgever (wederom) ook hier weer gedreven lijkt te worden door budgettaire overwegingen en/of reparatiewetgeving dan te streven naar belastingvereenvoudiging op rechtvaardige grondslag. Cherry-picking, zou je zeggen.
De voorgestelde maatregelen zijn een lagere dan de nu voorgeschreven verplichte jaarlijkse rente van 6% over het schuldig gebleven bedrag, en de optie schenkingen op papier bij uitbetalen als gewone schenking te belasten of bij overlijden als reguliere erfenis te belasten.
Wederom geldt dat de tijd zal leren hoe de voorstellen uiteindelijk worden uitgewerkt. Rekening houden met de aangekondigde wijzigingen kan waar van toepassing echter nu al geen kwaad.