Het leek zo mooi: het accountantsberoep dat zichzelf wilde versterken met vertrouwen als vertrekpunt. Een beroepsgroep die niet alleen cijfers controleert, maar zich ook bewaakt tegen kennisverval, met een kennistoets als instrument om vast te stellen dat die kennis actueel blijft.
Vandaag, anno begin 2026, staan we op een punt dat paradoxaler nauwelijks kan: we hebben een kennistoets ingevoerd omdat we dachten dat we konden vertrouwen op verantwoordelijkheid en vakbekwaamheid en nu concluderen we dat diezelfde accountants kennelijk niet te vertrouwen zijn om die toets eerlijke en fatsoenlijke af te leggen. Met andere woorden: we wilden vertrouwen versterken en zijn uiteindelijk beland bij een instrument dat zegt: jullie zijn niet te vertrouwen.
De NBA heeft besloten de verplichte, tweejaarlijkse, online kennistoets definitief te schrappen. In de toekomst zal een toets alleen nog in uitzonderlijke, situationele gevallen worden ingezet en dan klassikaal, onder toezicht, omdat online toetsen kennelijk te fraudegevoelig blijken.
Hoe absurd is dát?
Laten we dit even goed laten bezinken:
- De kennistoets is ooit ingevoerd uit vertrouwen dat accountants zichtbaar hun kennis op peil houden.
- De toets werd vrij snel problematisch vanwege geconstateerde fraude en gedeelde antwoorden , de NBA trok hem daarom al terug in 2023.
- Na evaluatie concludeert de beroepsorganisatie nu: we vertrouwen jullie niet genoeg om de toets eerlijk te doen, tenzij we het klassikaal, onder controle, afnemen.
Met andere woorden: we geven geen vertrouwen meer aan professionals om zelfstandig via een online toets hun vakkennis te laten zien , we moeten controleren of ze niet valsspelen.
Dat is geen vooruitgang: dat is een architectonische evolutie van achterdocht.
Van zelfreflectie naar surveillancestatistiek
Wat ooit bedoeld was om kwaliteit en geloofwaardigheid te borgen, is ontaard in een beleid dat zegt: we moeten jullie in de gaten houden, want we kunnen niet anders.
Het is alsof een docent zegt: “Jullie zijn hier om te leren, maar we vertrouwen jullie niet zonder toezicht, dus we zetten camera’s aan en sluiten jullie in een zaal op.” Dat is geen vertrouwen, dat is surveilleren.
En wat zegt dit over het vertrouwen in het beroep zelf?
De NBA probeert het nog te maskeren: toetsen zullen alleen “situationeel” worden ingezet en alleen “als het nodig is”. Maar intussen is de impliciete boodschap glashelder:
we denken dat een substantieel deel van de beroepsgroep de toets niet eerlijk zou afleggen.
Dat is niet duurzaam, en het is zeker geen strategie voor een beroep dat pretendeert het vertrouwen van de maatschappij te bewaken.
En wat doet het beroep zelf? Stilte.
Wat misschien nog opvallender is, is hoe strafstil het beroepenveld is. Geen luide discussie, geen diepgaande kritische reflectie, nauwelijks open debat in vakbladen of op platforms.
Het is alsof we collectief besluiten dat wantrouwen een acceptabel eindpunt is , in plaats van dat we vertrouwen als startpunt herijkend ter discussie stellen.
Als het beroep werkelijk wil bouwen aan vertrouwen — niet alleen bij klanten, maar in de maatschappij, dan moet hier een open en eerlijke dialoog over komen. Geen institutionele reflex om achterdocht te verhullen met technocratische taal, maar een debat over wat vertrouwen nu écht betekent voor de beroepsgroep.
De kernvraag die blijft liggen:
Is professionele verantwoordelijkheid iets wat je moet controleren — of iets wat je moet cultiveren?
Want als we beginnen bij het idee dat professionals inherent onbetrouwbaar zijn zonder strikt toezicht, dan ondermijnen we het fundament van elk professioneel statuut: het vertrouwen in het oordeel en de integriteit van de vakgenoot.
Laten we ophouden dit soort beleidsbesluiten te behandelen als technische spelregels. Het is een existentiële vraag voor het beroep en om eerlijk te zijn: de stilte vanuit het veld is veelzeggend, en niet op een goede manier.